Louis Paul Boon

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Haardlezen.JPG
WAARSCHUWING VOOR ONERVAREN LEZERS
Deze pagina is onmenselijk laaaaaaaaaaaang, en wordt dus bij voorkeur gelezen
tijdens de lange winteravonden, wat de houdbaarheid ervan beperkt tot de periode
21 december - 21 maart
Weir loten onzen oil zing![1]
~ Louis Paul Boon over de mysteries des levens.
LPB Hemzelve.JPG

Louis Paul Boon (Aalst, 15 maart 1902 - ib., 14 maart 1979) was een Vlaams filosoof, fotograaf, schrijver en beeldhouwer. Doordat er op weg naar school altijd wel iets spannends gebeurde, haalde hij nooit vóór vier uur de schoolpoort, en bleef zijn hele leven een analfabeet die bovendien de Nederlandse taal nooit machtig werd, en zich uitsluitend in het plat Aalsters uitdrukte, en ook alleen deze taal verstond. Dit weerhield hem niet om het Europa van de XXste eeuw te verrijken met talloze aforismen, naaktfoto's, romans en beeldekens.

Afkomst[bewerken]

De ouders van Louis Paul Boon. Omdat deze foto's genomen zijn in de periode rond "Oilsjt Carnaval", en deze mensen dan elkaars kleren plachten aan te trekken, kan niet met zekerheid gezegd worden wie de moeder, en wie de vader van Boon is.

De ouders van Louis Paul Boon waren zeer eenvoudige, ongeletterde voddenrapers[2], die het ambacht van hun voorouders hadden voortgezet in een tijd dat er in de papierindustrie meer en meer gebruik werd gemaakt van houtpulp in plaats van katoenlompen. Ze hadden het dus niet breed, en vermoed wordt dat hun afkeer van het geschreven en gedrukte woord een uiting was van hun verbittering omtrent hun tanend beroep.

Volkse pret[bewerken]

Hun miserabele levensomstandigheden weerhielden hen er echter niet van om bij elk parochie- of stadsfeest flink uit de bol te gaan, en vooral tijdens het Aalsterse feest bij uitstek: Carnaval! Hun bescheiden inkomen liet hen niet toe om mooi verkleed mee op te stappen in de stoet, zodat ze hun toevlucht namen tot het aandoen van elkaars kleren. Met enige medemarginalen slaagden zij erin op deze manier een aparte stoet te organiseren, tot groot jolijt van de modale Aalstenaars! Deze aparte stoet gaat nog steeds uit, en hun naam "Voeil Jeannetten" verwijst naar Boons moeder, wiens officiële voornaam "Johanna" was.

Verbeelding[bewerken]

De jonge Lowieke viel al vroeg op door zijn immer bruisende verbeelding en fantasie, die hem toeliet zijn dagdagelijkse fratsen immer goed te praten, en zichzelf en zijn speelkameraadjes meer alibi's aan te praten dan zij eigenlijk nodig hadden. In de kleinste gebeurtenis in de stad, aan de rivier of op het veld zag hij mogelijkheden tot grootse verhalen, die hem eventjes weghaalden uit de grijze miserie van de realiteit. De oude pastoor van de Martinusparochie, Adolf Daens, zag iets in de kleine, en haalde de ouders over hem in het lokale parochieschooltje in te schrijven. De onderneming werd een ontgoocheling.

Lupte in ’t stad verloeren, oiltj tèn a manjeken boeven![3]
~ Louis Paul Boon over mannen die de weg niet vragen.

School[bewerken]

Boon in zijn jaarlijkse vermomming.

Boonkenners allerhande beweren dat de jonge Louis zich op weg naar school zo gemakkelijk liet afleiden omdat het taalgebruik op school hem afschrikte. Aalst was een der eerste plaatsen in Vlaanderen waar men besefte dat het lokale dialect absoluut moest vervangen worden door een taal die omgang met de buitenwereld mogelijk maakte, en wie ooit een Aalstenaar heeft horen praten begrijpt dat vooral dáár enige verlichte geesten die kwestie uit de wereld wilden helpen. Vanaf 1 september 1899 werd daar dus in alle scholen het "Schoon Vlaams", de voorloper van het "Algemeen Beschaafd Nederlands", de enige aanvaarde taal.

Skool?[bewerken]

Deze taalkundige evolutie was niet naar de zin van de jonge Boon, die uit een familie kwam waar men, bij gebrek aan een echte opleiding, en uit wantrouwen jegens al wat op papier geschreven of gedrukt stond, zich vastklampte aan de veronderstelde deugden van het oude dialect en de mondelinge afspraken op erewoord. Het mag dan ook geen wonder heten dat de jonge snaak van thuis uit niet gedwongen werd om zijn jonge jaren effectief op of in de schoolbanken te slijten. Hij was voorbestemd om een stiel te leren, zoals men dat in de familie altijd al gedaan had.

Rebel[bewerken]

De wilde snaak was van rebelse aard, en dat uitte zich op de meest onverwachte manieren. Zo was hij wellicht de enige jonge Aalstenaar die geen interesse toonde voor Sint Maarten, maar wél kwam opdagen wanneer in het parochieschooltje Sinterklaas werd binnengehaald. Deze door inwijkelingen ingevoerde feestdag had relatief weinig succes, maar de jonge Boon was er als de kippen bij om Zwarte Piet te spelen. Zijn vertolking was zó subliem, dat ze verantwoordelijk wordt geacht voor de terreinwinst die het Sinterklaasfeest jaar na jaar op het Sint-Maartensfeest won, en hij bleef deze rol opvoeren tot het jaar vóór zijn dood.

Eiremoei taroef in d’ Oilsjterse stee![4]
~ Louis Paul Boon over de economische crisis in Aalst.

Stiel[bewerken]

Een vroege foto van een rebelse Louis Paul Boon.

Tijdens zijn magere twaalfde verjaardagspartijtje kreeg Lowieke te horen dat hij niet meer naar school hoefde, maar dat hij wel een vak diende te leren, of zoals dat in die kringen toen heette, een stiel. Het stond in ieder geval vast welke stiel hij niet zou leren: die van voddenraper. Want lompen brachten niks meer op, en voddenrapers moesten meer en meer hun toevlucht tot extra ophaalproducten zoeken, zoals beenderen (voor lijm) en schoonmoeders (voor vergif).

Daems 1 & 2[bewerken]

Ook nu weer schoot de oude pastoor Daems in actie, en deze keer met iets meer succes. Eén zijner broers, Pieter, had een drukkerij, waar hij voornamelijk kranten drukte, die hij zelf volschreef en uitgaf, en ook het parochieblad. In diens drukkerij mocht de jonge Boon de puntjes op de i zetten, en later ook op de j. Dit was de enige drukkerij waar zulks nog met de hand geschiedde, omdat de familie Daems in 1798 de firma opgericht had met materiaal dat door de familie Martens werd van de hand gedaan omdat het in de weg stond. Het ging hier inderdaad om de drukpers en de letterkasten van Dirk Martens, die op 14 februari 1439 de eerste Vlaamse krant met losse letters drukte. Het was het nu door verzamelaars erg gegeerde eerste nummer van de "Gazet van Oilsjt", een meesterwerkje van typografie en journalistiek[5]. Toen na de dood van de kinderloze Pieter Daems in 1919 de drukkerij door derden werd overgenomen, en de oude pers werd vervangen door linotype, die de puntjes automatisch op zowel i als j zette, zat Boon weer zonder werk[6].

Daems 3 & 4[bewerken]

Intussen was ook pastoor Daems gestorven, maar er waren nog broers over: Marcel Daems, de meest artistiek aangelegde van de familie, en Korneel Daems, de meest financieel aangelegde. Twee uitersten. Het was Marcel die Boon aanried om zijn verbeelding in boekvorm te gieten: Boon dicteerde zijn invallen, en Daems noteerde ze, om dan, na vertaling van het plat Aalsters naar het commercieel meer aantrekkelijke Nederlands, de manuscripten naar de eerder vermelde drukkerij te brengen. Aangezien deze onrechtstreeks, door een zware lening bij de bank van Korneel daems, nog steeds door de familie Daems gecontroleerd werd, kon Boons eerste boekje daar vrijwel meteen gedrukt worden. "Voor stad en carnaval" (1920) raakte nauwelijks verkocht, en Korneel zag zich genoodzaakt om de jongeling een baantje in de bank te bezorgen. Boon werd er liftjongen: de cijfers van de verdiepingen kreeg hij wonderwel gelezen, in tegenstelling tot de letters van het alfabet.

’t Es fiejst boi d’oelesjoiks: petrol geven![7]
~ Louis Paul Boon over de hoge brandstofprijzen.

Filosofie en fotografie[bewerken]

"Barones Magdalena van Zeep tot Sop gaat stappen" (1923): de foto die Lowiekes reputatie als fotograaf maakte (bij de modellen in ieder geval: hij exposeerde nooit).

Het was Marcel Daems niet ontgaan dat Lowieke kwistig was met gevatte uitspraken, en buiten medeweten van de jongeling noteerde hij er zoveel mogelijk, tevens een oor gespitst houdend wanneer Boon door verbolgen of opgetogen omringenden geciteerd werd. Marcels zoon, Gustaaf Daems, zette deze taak verder, evenals diens zoon Eugeen, die ze na Boons dood bundelde, voorzag van de nodige Nederlandse vertalingen en duidingen, en uitgaf onder de titel "Louis Paul Boon alsof u hem zelf hoorde" (1980).

Slaan met kwink[bewerken]

Marcel Daems placht de manier waarop Lowieke zijn gedacht zei over alles en nog wat, te bestempelen als slaan met kwink, naar de kleurstof waarmee in de voormalige familiedrukkerij op proefdrukken zinnen werden gemarkeerd die door een drukfout onbedoeld tot een grappige of wijze uitspraak waren omgetoverd. Deze koddige traditie dateerde al uit Martens' tijd, en verdween pas toen ook diens materiaal in 1919 aan de kant werd gezet. Alleen het woord "kwinkslag" bleef over. Boon zelf sloeg geen acht op dit alles: hij was alleen geïnteresseerd in complete verhalen, niet in losse zinnetjes. Hij beschouwde zichzelf dan ook niet als een filosoof, hoewel zijn omgeving dat langzamerhand wél begon te doen.

Schrijven met licht[bewerken]

In Marcels kennissenkring, waar respectabele high society-figuren een pervers genoegen schepten in het spreken van plat Aalsters, was Louis Paul Boon een graag geziene gast, die daar kennis maakte met zowel vrouwelijk schoon als fotografie, en meteen in de combinatie ervan de mogelijkheid zag om zich ten allen tijde aan de wonderen der natuur te vergapen. Onder het mom van kunstfotografie haalde hij, geholpen door zijn kwinkslagen, de ene dame na de andere vrouw over om schaars tot ongekleed voor zijn toestel plaats te nemen. Het moet deze amateurmodellen toch ooit eens verwonderd hebben dat Boon nooit exposeerde: pas na zijn dood begon zijn indrukwekkende collectie (22.400 foto's!) onder de ietwat vulgaire naam "Ferm Fenomenale Feminatheek", kortweg "FFF" de wereld rond te reizen.

Oilsjt zèn gelik, weir zergen vèr den trik![8]
~ Louis Paul Boon over het vinden van het ware geluk.

Romans en beeldekens[bewerken]

Een typisch Boonse beeldengroep: de beroemde afscheidsscène uit het beeldverhaal "Memoires van een nachtwaker"(1975) in het Antwerpse Middelheimpark.

Met zijn tweeëndertigste roman, "De mammezellekesbaan" (1953), deed Boon een wanhopige poging om de Engelse schrijver Tolkien de loef af te steken en als eerste een boek gepubliceerd te krijgen dat aan alle vereisten voldeed om door elke serieuze uitgever als onverkoopbaar beschouwd te worden. Hij slaagde tweemaal half in zijn opzet, omdat zijn Aalsterse uitgever het ding inderdaad onverkoopbaar, maar ook onpubliceerbaar vond, en een andere uitgever dat óók vond, maar eens niet wou toegeven aan de rede. Samengeteld leverde dat dus een geslaagd opzet op.

Een steen in de vijver[bewerken]

Een marktonderzoek met op de publieke opinie losgelaten fragmenten wees uit dat lezend Vlaanderen er niet in trapte, en liever wachtte tot Tolkiens levenswerk vertaald en uitgegeven was. Lezend Nederland hapte wél toe: Boons toenmalige tolk plat Aalsters-Nederlands vond een Nederlandse uitgever van stationsromans die eens wat anders wou, bereid om zijn kapitaal te stoppen in het publiceren van wat een steen in de vijver van de Nederlandstalige literatuur zou zijn. Dankzij een goed uitgekiende mediacampagne voelde elke intellectueel zich verplicht deze onsamenhangende verzameling platte nonsens de hemel in te prijzen, en Boons naam als schrijver was gemaakt, ook al stelde zijn latere literaire productie niet veel meer voor. De bal was aan het rollen, en niemand durfde nog terugkrabbelen: het boek was door toonaangevende critici en literatuurspecialisten als een meesterwerk bestempeld, en die stempel zou het altijd houden, ook al bleek achteraf dat vrijwel niemand er ooit meer dan twee bladzijden van gelezen had.

Binnen en buiten[bewerken]

Dankzij de inventieve Nederlandse uitgever was Boon vóór zijn zestigste "binnen", en verlaagde hij zijn "schrijf"-tempo, om zich op het beeldhouwen toe te leggen. De verhalen die hij nog in zijn hoofd had werden nu driedimensionaal, door middel van beeldhouwwerken, aan de wereld getoond. Deze uitdrukkingswijze liet hem ook toe om zijn verbeelding de vrije loop te laten zonder dat omslachtige tolkengedoe. Boon was (en is) de enige vertegenwoordiger van het driedimensionele stripverhaal, waarmee hij in de lijn ligt of staat van de didactisch bedoelde beeldengroepen die romaanse en gotische religieuze bouwwerken hun charme geven. Net als toen gedaan werd, waren ook Boons beeldhouwreeksen polychroom. Dit deed hij louter intuïtief: hij heeft zelf nooit geweten dat die eeuwenoude beelden ooit een kleurtje gehad hebben. De omvang van zijn beelden waren dermate, dat ze uitsluitend buiten konden worden opgesteld, en geen openbaar park in Vlaanderen of het heeft minstens één zo'n beeldenreeks staan. Het verschijnsel liet ook sporen na in het Zuid-Nederlandse taalgebruik: de vergelijking met het klassieke stripverhaal werd zodanig gemeengoed, dat men geleidelijk begon over te schakelen naar het woord "beeldverhaal", een taalkundige uitschuiver waar men pas laat in de XXste eeuw vanaf is geraakt, behalve in Aalst. Daar wordt dit woord nog altijd verkozen boven "stripverhaal" of zelfs "tekenverhaal".

Jaugt ons ni op![9]
~ Louis Paul Boon over snelwandelen.

Leerlingen en nimfen[bewerken]

Boons rouwende discipelen op de koffietafel na zijn begrafenis.

Wat het levenslot van Louis Paul Boon betreft, sloeg ook in Aalst, waar buiten carnaval nooit iets gebeurt, de ironie toe, en wel tweemaal: de man die nooit school had gelopen maakte zélf school, want minstens twee Vlaamse schrijvers worden tot zijn "leerlingen" gerekend, en de meest productieve vrouwelijk-schoonfotograaf uit de geschiedenis van de fotografie vond nooit een levensgezellin, gefascineerd als hij was door zeer jonge meisjes.

Claus en Brusselmans[bewerken]

Hugo Claus (1929 - 2008) en Herman Brusselmans (1957 - 2017) worden sinds hun dood altijd in één adem met hun "meester" genoemd, als een soort van heilige drievuldigheid. Hun gehele œuvre is doordrongen van Boons platheid, en zij vonden er een plezier in om te trachten zowel elkaar als Boon zélf daarin te overtroeven. Hun verbondenheid met de man was zó groot, dat de literaire critici niet anders durfden dan hen te laten meesurfen op de golven van diens erkenning, zodanig dat zij beiden de Nobelprijs voor Literatuur ambieerden, en daarvoor volgens diezelfde critici ook in aanmerking kwamen. In tegenstelling tot Boon beheersten zij tot op zekere hoogte wél het Nederlands, al hadden zij moeite om het te schrijven. Ook zij dicteerden dus hun geniale[10] invallen. De veelzijdigheid van Boon straalde ook een beetje af op deze discipelen: Claus verwierf parallelle vermaardheid door de gevoelige sneeuwlandschappen waarmee hij talloze kerstwenskaarten illustreerde, en Brusselmans specialiseerde zich in zelfgehaakte bedspreien, die nu nog altijd door zijn fans gekoesterd worden (vooral des winters).

Boon en de vrouwen[bewerken]

Dat Boon nooit (of nooit langer dan een maand) een levenspartner heeft gehad, en ook totaal kinderloos gebleven is, wordt door zijn aanhangers toegeschreven aan een combinatie van overdreven werklust met scrupuleus volgehouden ascese. Bij geen van beide past immers een echte, duurzame relatie, en zijn foto-onderwerpen worden door deze mensen ervaren als het virtueel opvullen van een reële leegte. Zij die Boons leven en werk met een andere blik bekijken, verwijzen naar het onrustwekkende percentage van foto's van zeer jonge meisjes in de collectie, en het veelvuldig aan bod komen in zijn romans van erotisch getinte interesse voor minderjarige wichtjes. Wegens de delicate aard van deze materie werd Boon daar nooit openlijk over aangesproken, en hijzelf schiep nooit klaarheid in deze zaak. Opvallend is wel dat, na zijn dood, de man in dit aspect van zijn leven voornamelijk verdedigd werd (en wordt) door vrouwen die in hun zeer jonge jaren graag vaak in zijn gezelschap gezien werden, zonder dat deze dames ooit met details voor de dag zijn gekomen.

Moin stad, moin keininkroik![11]
~ Louis Paul Boon over de vergankelijkheid van het koningschap.

Prijzen en doodgaan[bewerken]

1975: Louis Paul Boon (links) ontvangt de Louis-Paul-Boonprijs uit de handen van Cultuurminister Rika de Backer (rechts).

Geheel in de lijn van de fraai opgezette erkenningscampagne, viel hem vanaf 1953 ongeveer jaarlijks een literaire onderscheiding in de schoot. Omdat in het Nederlandse taalgebied de taalkundige prijzen niet zó dik gezaaid zijn, en men ook ándere schrijvers iets moest gunnen, werden er speciaal voor hem in 1966 een speciale prijs gecreëerd: de "Louis-Paul-Boonprijs". Deze werd (en wordt) jaarlijks toegekend aan de schrijver wiens werk het dichtst bij zijn stijl aanleunt. Hij won deze prijs verscheidene malen: alleen in 1972 en in 1978 greep hij ernaast, toen respectievelijk Hugo Claus en, hoe kon het anders, Herman Brusselmans met de prijs aan de haal gingen. Bij wijze van troost kreeg hij voor "Mieke Maaike's obscene jeugd" de inderhaast gecreëerde "Lolitaprijs", en voor "Het jaar 1902" (zijn autobiografie) de eenmalige "1902-prijs".

Nobelprijs[bewerken]

De enige prijs die hem écht interesseerde, en die hem ertoe bracht om toch één keer per jaar zijn beeldhouw- en fotografiewerk opzij te schuiven en nog eens iets te schrijven, was de Nobelprijs voor Literatuur. Aan intimi had hij meer dan eens toevertrouwd dat hij met het geld van die onderscheiding een wereldreis wou maken, om te zien in hoever de rest van de wereld verschilde van zijn geboortestad, die hij nooit verlaten had. Jaar na jaar moest hij zich tevreden stellen met de "Louis-Paul-Boonprijs", of een ander ersatzgeval.

Net niet?[bewerken]

Boon stierf aan een hartaanval toen men hem in simultaanvertaling de brief voorlas met daarin de vraag om des anderendaags eens langs te komen op de Zweedse ambassade. Begrijpelijkerwijze ging het gesprek aldaar niet door, en zullen we nooit te weten komen wat men hem daar wou meedelen dat niet per brief of over de telefoon kon gezegd worden. De harde kern van Aalsterse Boonfans houdt mordicus staande dat men enerzijds hem wou voordragen voor de Nobelprijs, maar anderzijds verveeld zat met de literaire ambitie van Hugo Claus, en dat men hem waarschijnlijk zover had willen krijgen om zelf te verklaren niet geïnteresseerd te zijn. De nóg hardere kern van Clausfans verdedigt de stelling dat de Zweden Boon gewoon wilden feliciteren met zijn 77ste verjaardag, een leeftijd waaraan in gindse streken een bijzondere betekenis wordt toegekend[12]. Claus was er in ieder geval niet mee geholpen, maar toonde zich absoluut niet rancuneus, en aanvaardde zelfs de opdracht om, samen met Brusselmans, Boons onafgewerkte laatste roman "De familie Daems of de Daltons van Aalst" af te werken. Deze inspanning werd bovendien nog extra beloond toen beide discipelen in 1992 ook de aanpassing tot filmscript toegewezen kregen, alsook de regie van de film, en ook nog eens de herwerking tot musical in 2008, een prestatie die meteen Claus' laatste zou worden.

Weir weten woor nortoe, ons boeterhammen smauken dor hiel goe![13]
~ Louis Paul Boon over vriendschap in gastronomie en gastronomie in vriendschap.

Aalsters[bewerken]

In 2019 wordt gestart met een integrale editie van Boons werk in het plat Aalsters. Deze door zijn omgeving opgetekende originelen waren nooit uitgegeven, omdat de uitgevers daar geen brood in zagen: alle publicaties vertrokken steeds vanuit de Nederlandse vertaling. Deze luxueuze uitgave, waarin ook de door Eugeen Daems samengestelde aforismenbundel zal worden opgenomen, zal uitsluitend door intekening verkrijgbaar zijn, en is beperkt tot 1979 exemplaren, aldus Boons overlijdensjaar herdenkend.

Ons regeirink droit zot, ’t licht got oit begot![14]
~ Louis Paul Boon over de nood aan elektrische straatverlichting in Aalst.

Laatste en voorlaatste woorden[bewerken]

Een béétje beroemdheid doet zijn of haar best om de wereld enige treffende laatste woorden na te laten, en Boon speelde het klaar om ook omwille van zijn voorlaatste woorden herinnerd te worden. Het leek dan ook niet meer dan passend om er zijn Oncybiografie mee af te sluiten:

Achter elken hoek of kant, er es altoid e zwontjen dat op aanen kop land![15]
~ Louis Paul Boons voorlaatste woorden.
Awel 't es graalek, mo meire kommekik nie nor moine verjoerdag![16]
~ Louis Paul Boons laatste woorden.


Pluimpatat.JPG
Auteur of geen auteur, dát is de kwestie!

Bomans · Boon · Brusselmans · Caesar · Christie · Claus · Erasmus · Finkers · Foucault · Van Gaal
Galileo · Goethe · Hitler · Ibsen · Kafka · Luther King · King · Liefnius · Leviticus · Van Loon · Mulisch
Von Münchhausen · Van Ostaijen · Drs. P · Polo · Reve · Shakespeare · Stevin · Tamstra · Wilde · Wolkers


VlaleeuwL.JPG
Vlaamsche figuren

Bart De Wever · Flip Kowlier · Herman Brusselmans · Herman Van Rompuy · Hugo Claus · Jan van Eyck · Kapitein Zeppos
Kimberley Vlaeminck · Louis Paul Boon · Napoleon Bonaparte · Peter Paul Rubens · Pieter Bruegel de Oude · Tijl Uilenspiegel
Tom Boonen · Urbanus van Anus · Yves Leterme

Notenbalk[bewerken]

  1. "De menselijke geest gelooft het liefst onbegrijpelijke dingen!"
  2. Meer noordwaarts noemt men die mensen ook wel "Lorrenboer".
  3. "Dwalen kan iedereen; maar alleen dwazen volharden in hun dwaling!"
  4. "Armoede is de vader van revolutie en misdaad!"
  5. Op diezelfde dag verscheen het eerste nummer van "Der Mainzer Kurier" van de hand van ene Johannes Gutenberg, en het eerste nummer van "Den Haerlemschen Courant" door Laurens Jansz. Coster. De drie heren beschuldigden elkaar van plagiaat, maar hun geruzie liet weinig sporen na: XIXde-eeuwse historici beschouwden het drukken van kranten niet als boekdrukkunst, en bleven redetwisten over wie het eerste boek gedrukt had. Aangezien het een paar eeuwen duurde eer boeken standaard voorzien werden van min of meer betrouwbare drukgegevens, is deze discussie altijd blijven aanslepen.
  6. Uit de ontslagbrief, die nog altijd bewaard wordt in het Louis Paul Boon Archief, blijkt dat men een drukkersknecht niet zomaar kon ontslaan wegens ongeletterdheid: Boon wordt erin beschuldigd "geslachtelijken omgang te hebben bedreeven met leesteekens die anoniem wenschen te blijven"
  7. "De goden houden ook van een grapje!"
  8. "Het geluk behoort aan hen, die aan zichzelf genoeg hebben!"
  9. "Wie traag gaat, gaat gezond en ver!"
  10. Brusselmans zei zelf "genitale invallen", aldus in de lijn van zijn literaire productie blijvend.
  11. "Een paard, een paard, mijn koninkrijk voor een paard!"
  12. Net zoals aan die van 7 jaar. De oprichters van het weekblad "Kuifje" (1946-1993) haalden hun slogan "Voor de jeugd van 7 tot 77 jaar" hoogstwaarschijnlijk daarvandaan, al haalde dit tijdschrift zelf die respectabele leeftijd niet.
  13. "Men kent een vriend pas nadat men veel zout met hem heeft gegeten!"
  14. "Uit de schok der ideeën ontspringt het licht!"
  15. "Alle goede spreuken zijn reeds op de wereld; men verzuimt slechts om ze toe te passen!"
  16. "Geloof het of niet, maar morgen kom ik lekker niet naar m'n verjaardagspartijtje!"
Dit is een
Ster504c.png
KOOL