Godfried Bomans

Uit Oncyclopedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Haardlezen.JPG
WAARSCHUWING VOOR ONERVAREN LEZERS
Deze pagina is onmenselijk laaaaaaaaaaaang, en wordt dus bij voorkeur gelezen
tijdens de lange winteravonden, wat de houdbaarheid ervan beperkt tot de periode
21 december - 21 maart
BomansPortret.GIF
Een te duchten concurrent: gelukkig schrijft hij in het Nederlands!
~ Oscar Wilde over Godfried Bomans' begaafdheid.
Een te duchten concurrent: gelukkig schrijft hij in het Nederlands!
~ Desiderius Erasmus over Godfried Bomans' begaafdheid.

Godfried Erik Adalbert Bomans (Den Haag, 2 maart 1913 – Tulpendaal, 22 december 1971) was (en is momenteel nog altijd) Nederlands grootste filosijver en Sinterklaasspecialist, en tevens humorist, en ook nog oprichter en dirigent van het Haags Donkozakkenkoor. Hij maakte aldus deel uit van die kleine schare creatievelingen die hun hele leven lang een dubbele ambitie koesterden: Nederlands grootste filosoof worden, en tegelijkertijd Nederlands grootste schrijver worden. Geen van hen slaagde daarin, maar hun eer werd gered door op 22 december 1972, ter gelegenheid van de eerste herdenking van Bomans' overlijden, een nieuwe categorie toe te voegen, waarbij op beide domeinen simultaan een gelijke artistieke hoogte diende bereikt te worden, die der filosijvers.

Prille jeugd (1913-1916): voorbestemd[bewerken]

De jonge Godfried werd geboren met een lengte van honderd en drie centimeter, een prestatie die alleen als volgt kon verklaard worden:

  • hij was maar tien centimeter breed;
  • hij had een bijzonder soepel skelet, dat hem toegelaten had negen maanden lang opgerold in de baarmoeder te zitten;
  • hij was een grappenmaker.

Zijn eerste publiek, bestaande uit de complete Haagse medische wereld, en, natuurlijk, zijn ouders, lag meteen in een stuip van het lachen, wat de bevalling iets moeilijker maakte, omdat ook de moeder het lachwekkende van de situatie inzag. Hijzelf bekeek de situatie filosofisch, en toen eenmaal zijn hoofd was tevoorschijn gekomen (hij lag in het Bomans-equivalent van de stuitligging), sprak hij bedaard:

Een boeiende, doch uitputtende ervaring.
~ De pas geboren Godfried Bomans over zijn geboorte.

Vroege jeugd (1916-1919): een heel end[bewerken]

Bij gebrek aan kleuteropvang in het nog vrij primitieve Den Haag van het begin der XXste eeuw, werd de jonge Bomans op driejarige leeftijd in de eerste klas van de "Haagsche Laagere School" gezet, waar hij dat jaar als primus gelauwerd werd. Niet als primus van het eerste jaar maar van het tweede, want Godfried ("Fritje" voor de vrienden) liet er geen gras over groeien. Zo deed hij ook maar één jaar over het derde en vierde leerjaar samen, en in die logica volhardend studeerde hij in juni 1919 af aan de Haagsche Laagere School, een diepe indruk op medeleerlingen en onderwijzers achterlatend.

Een vruchtbare, doch vrij dorre periode.
~ De pas afgestudeerde Godfried Bomans over zijn studeertijd (1).

Volle jeugd (1919-1925): onbekend[bewerken]

Op zesjarige leeftijd trok Godfried Bomans naar het Gymnasium Haganum, alwaar de studie van Latijn, Grieks en wijsbegeerte te zwaar was om twee jaren ineens te doen, en hij deed er, overigens als een voorbeeldige leerling, de gebruikelijke zes jaar over. In zijn vijfde gymnasiumjaar, op elfjarige leeftijd, kwam Bomans voor het eerst naar buiten met een literaire creatie, die tegelijkertijd zijn al zeer rijpe levensbeschouwing met veel humor uitdroeg. Deze combinatie van elementen verklaart waarom in zijn historisch toneelstuk "Bloed en liefde" ontmoetingen voorkomen tussen edellieden die volgens historici gescheiden dienden te worden door ettelijke eeuwen. Maar filosofen zien hierin een originele kijk op de relativiteit van het begrip tijd, een overigens zeer nuttig gebleken aanvulling op Einsteins relativiteitstheorie uit 1905, die daarom sinds 1972 de "Relativiteitstheorie van Einstein-Bomans" wordt genoemd. Zolang duurde het eer Bomans' faam buiten zijn intieme vrienden-, kennissen-, familie- en medestudentenkring trad. Want daarbuiten bleef hij pijnlijk onbekend bij het grote publiek.

Bloed en liefde[bewerken]

Zijn toneelstuk werd in Haagse gymnasiumkringen gunstig ontvangen, maar na de première nog zelden uitgevoerd, deels omwille van de grote rolbezetting, deels omwille van de uitvoeringsduur:

  • er komen 32 personages in voor die regelmatig voltallig op het podium moeten verschijnen. Het aantal komt overeen met het aantal leerlingen in Bomans' klas, en ook het ontbreken van vrouwelijke rollen houdt verband met de samenstelling van die klas.
  • het stuk kan, althans volgens de schrijver, niet behoorlijk worden gebracht in minder dan drie uur en een kwart, een eventuele pauze niet inbegrepen.

Ouder werk[bewerken]

In 1996 werd, ter voorbereiding van de uitgave van zijn volledig werk, eens duchtig in zijn nagelaten manuscripten gespit, en dat graafwerk leverde een aantal lijvige romans op die nooit gepubliceerd werden, en waarschijnlijk van vóór "Bloed en liefde" dateren. Waarschijnlijk nam geen enkele uitgever het kind (hij was toen immers nog geen elf) serieus, en was de ontgoocheling zó groot, dat hij ze later nooit meer ter uitgave heeft aangeboden, en er later in interviews nooit over sprak, en vragen erover met een kwinkslag ontweek.

Ander gymnasiumwerk[bewerken]

Na "Bloed en liefde" legde Bomans zich toe op zijn studie, want hij wou absoluut proberen datzelfde schooljaar tóch ook nog het examen van het zesde jaar te halen. Het was zijn omgeving intussen opgevallen dat de jongen haast had om het gymnasium te verlaten, maar wel mét een goed diploma, net zoals hij als een wervelwind door de lagere school geraasd Was. Dat verklaart waarom er, in tegenstelling tot zijn ouder werk, er uit de periode 1923-1925 alleen in lichtvoetige limericks essay is gevonden, over de invloed van Aristoteles op de poetsvrouw van de jongste zus van Nietzsche. Net zoals "Bloed en liefde", werd het essay pas in 1942 uitgegeven, na zijn eerste (en bij leven enige) succes bij het grote publiek, het beroemde autobiografische epos "Erik of het kleine insectenboek".

Een interessant, doch vrij lang levenshoofdstuk.
~ De pas afgestudeerde Godfried Bomans over zijn studeertijd (2).

Rijpe jeugd (1925-1956): niet verwend[bewerken]

Godfried Bomans in kozakkendracht, tijdens een militaire oefening nabij Azov, waarschijnlijk in 1934.

Bomans' haast om door lager en middelbaar onderwijs te raken contrasteerde sterk met de dikke dertig jaar die hij als student doorbracht aan Neerlands fijnste universiteiten, waar hij zich telkens inschreef voor Letteren en wijsbegeerteen. In elk van die periodes slaagde hij erin om humor, filosofie en literatuur in een evenwichtige combinatie te laten samengaan, al werd hij daarin door het overgrote deel van het publiek miskend. De universiteitsambience beviel hem zodanig, dat pas de dood van zijn financierende ouders in 1956 hem het studentenleven deed vaarwel zeggen, met als enige diploma dat van"Langst ingeschreven student sinds de oprichting van de universiteit van Bologna in 1088".

Amsterdam (1925-1929)[bewerken]

De eerste universiteit waar hij voor anker ging en zich inschreef als student Letteren en Wijsbegeerte, was die van Amsterdam, alwaar hij voor het eerst in zijn leven een tochtig en vochtig, zolderkamertje betrok, in de Spinhuissteeg nummer 13. Hier stak hij zijn eerste sigaret op, en schreef hij vervolgens zijn "Filosofische gedichten ongespeend van scherts" (Prijs voor het Beste Poëziedebuut 1926), en "Duizend jaar Duitse humor: een bundeling waard?", waarin hij zich afvroeg of het de moeite waard zou zijn om te proberen een uitgever ervan te overtuigen om dat door vijf Duitse filologen samengestelde manuscript, bestaande uit evenveel quartovelletjes, uit te geven. Naast wat onregelmatig columnwerk in diverse studentenblaadjes, begon hij in 1929 aan de eerste episode van "De avonturen van Bill Clifford" ("Bill Clifford en het mysterie van het geheimzinnige raadsel"), een unicum in de stationsromantraditie. Bomans pretendeerde namelijk dit genre aan te vullen met een (hopelijk) langlopende detectivereeks, waarvan niet alleen het literaire niveau dat van de traditionele stationsroman verre zou overstijgen, maar die bovendien ook zou gekenmerkt worden door een hoog gehalte aan filosofie en humor. Wat de aanwezigheid van filosofie betrof, nam hij zich voor om per episode een (al dan niet bekende) filosoof als rode draad doorheen het verhaal te laten lopen. Het hoofdpersonage, Bill Clifford, was niemand anders dan de Engelse filosoof William Sherlock Clifford (1806-1883), wiens prestaties als amateurdetective Arthur Conan Doyle inspireerden om Sherlock Holmes op papier te zetten.

Maastricht (1929-1931)[bewerken]

Na een in zijn voordeel afgelopen duel om een meisje, voelde Bomans zich verplicht om zijn studies elders verder te zetten, en het zuiden des lands leek hem ver genoeg van de noodlottige plaats, buiten het bereik van de Amsterdamse arm der wet, en uit het zicht van de tóch niet zo aan hem gehechte beminde. Andere beminden zouden volgen, en ongeveer even veel duels. In Maastricht schreef hij zich weer in aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, en ook daar betrok hij een tochtig en vochtig zolderkamertje, in de Preekherengang nummer 13[1]. Hier dreef hij zijn sigarettenverbruik op tot twee per dag (sigaretten, niet pakjes: sigaretten waren toen een pak duurder dan nu), werkte zijn eerste Bill Clifford-episode af, die terstond werd gepubliceerd door uitgeverij Zuid Noord Centraal, en behaalde met "Meer filosofische gedichten eveneens ongespeend van scherts" de Prijs voor de Beste Poëzievervolgbundel in 1931.

Legerdienst in de Sovjetunie (1931-1935)[bewerken]

In de mooie zomer van 1931 bereikte hem de mededeling dat hij verondersteld werd het land te dienen als soldaat, maar wie schetst zijn verbazing toen hij ingelijfd bleek bij een regiment Donkozakken in Novotsjerkassk. Plichtsgetrouw ging hij er heen, zich onderwijl wel afvragend wat deze dienst met vaderlandsliefde te maken had. Pas na zijn vijf jaar dienst kwam hij erachter dat het om een streek van een jaloerse lagere-schoolmedeleerling ging, een rooie rakker die een baantje op het Ministerie van Oorlog had weten te bemachtigen, en zijn wraak op Bomans wist te combineren met het dienen van het Sovjetregime. Uit deze periode van Bomans' leven is enkel een foto bewaard, waarop hij te zien is tijdens een exercitie, vermoedelijk in de buurt van Azov . Zijn gelaatsuitdrukking is eerder somber, en hij heeft zich achteraf nooit uitgelaten over zijn legerdienst: hij verspreidde het gerucht dat hij niet in dienst was gegaan wegens broederdienst[2], en dat hij deze tijd als universiteitsstudent had doorgebracht in Franeker.

Tilburg (1935-1939)[bewerken]

Twee edities van Bomans' in 1938 bekroonde boek.

Terug in Nederland, verkoos hij, om nooit opgehelderde redenen[3], Maastricht in te ruilen tegen Tilburg, waar hij,na zijn inschrijving als student Letteren en Wijsbegeerte, op zoek ging naar een tochtig en vochtig zolderkamertje. Naar sigaretten hoefde hij niet op zoek te gaan, want hij had op dat ogenblik zoveel sigaretten bij zich, volgens oogetuigen met Russisch opschrift, dat hij er een handeltje mee kon opzetten[4] Van zijn universitaire prestaties in Tilburg is even veel (of even weinig) geweten als van de vorige, maar zowel de literaire als de filosofische wereld werden verblijd met "Het beste uit 'Filosofische gedichten ongespeend van scherts' en 'Meer filosofische gedichten eveneens ongespeend van scherts'". Dit boek werd beloond met de Prijs voor het origineelste boekomslag 1938, omwille van de manier waarop de letters van de titel de volledige voorkant van het boek bedekten. Tevens verschenen nog twee Bill Clifford-episodes, te weten "Bill Clifford en het deurloze sleutelgat zonder sleutel" en "Bill Clifford en het engagement van de veelbelovende politicus", bij de uitgeverij die ook de eerste episode had uitgegeven.

Groningen (1939-1940)[bewerken]

Het was weer een duel om een door te velen tegelijk beminde, dat Bomans tot verhuizen, of zoals hij dat in zijn "Memoires" noemde, "verkassen"[5] noopte. Hij liet zijn zoekend oog vallen op Groningen, van oudsher bekend om zijn tochtige en vochtige zolderkamertjes. Hij koos er eentje uit dat boven een winkel van rookartikelen was gelegen, vermoedelijk omdat hij door zijn voorraad Russische sigaretten was geraakt, en door deze strategische ligging gemakkelijker, en misschien zelfs goedkoper, aan zijn rookgerei kon komen. De tijdelijke overvloed van sigaretten had intussen immers zijn verbruik de hoogte ingejaagd, en er was geen weg terug, want "stilstaan is achteruitgaan", en dies meer. Zijn verbruik in zijn Groningse tijd wordt door tijd- en studiegenoten geschat op twee pakjes per dag, een dure verslaving in die tijd. Het was dan ook hoogstwaarschijnlijk om een centje bij te verdienen, dat hij een bevriend tekenaar in de arm nam om eens iets commercieels te doen. Zijn aanbod om samen met bevriende Belgische tekenaar Hergé een absurdistisch, aan de actualiteit gekoppeld stripverhaal te maken met als titel "Pa Knekelbuik" te maken, werd echter afgewezen door het Nieuwsblad van het Noorden, omdat "het publiek niet rijp was voor een dergelijk experiment". Gelukkig restte hem nog Bill Clifford: in Groningen schreef hij de enige Bill Clifford-aflevering die buiten het stationsliteratuurcircuit enige bekendheid verwierf: "Bill Clifford en de afwezigheid van het ontbrekende niets". In die korte periode schreef hij ook nog het minder bekende "Humoristische verhalen over Griekse filosofen".

Enschede (1940-1944)[bewerken]

In mei 1940 werd hij opgeroepen om aan de oostgrens het oprukkende Duitse leger gaan tegen te houden. Als enige kozak van het Nederlandse leger, vormde hij een door hemzelf geleid éénmansregiment, dat bovendien door voedselschaarste niet over een paard kon beschikken, en op de fiets moest chargeren, zoals dat in kozakkenjargon heet. De in 1991 vrijgegeven Wehrmachtarchieven maken gewag van een lange, smalle met een even lange en smalle lans gewapende fietser, die, genegeerd door de westwaarts oprukkende pantsertroepen, zonder omkijken oostwaarts fietste, lans in de aanslag. Ook hiervan maakt Bomans, die vermoedelijk na een maand fietsen (twee weken oostwaarts, twee weken westwaarts) onverrichterzake terugkeerde naar een inmiddels bezet vaderland, en door een te zuidelijke route te nemen in Twente belandde, later geen gewag. Hij betrok in Enschede een tochtig en vochtig zolderkamertje, trok er vijf jaar lang elke zondagmiddag heel eventjes aan een sigaret, altijd dezelfde, en schreef er in 1941 "Erik of het klein insectenboek", een autobiografisch epos dat zijn kindertijd verhaalt, van 1913 tot 1925. Het boek werd in de sombere oorlogsjaren een immens succes, en bracht uitgeverij Solms ertoe om ook zijn eerder ongepubliceerd werk uit geven, waaronder "Bloed en liefde", "Pieter Bas, Memoires of Gedenkschriften van Mr. P. Bas", en "De invloed van Aristoteles op de poetsvrouw van de jongste zus van Nietzsche". Parallel hieraan bleef hij episodes toevoegen aan de Bill Clifford-reeks, zoals "Bill Clifford en de origami die van gevouwen papier was", en "Bill Clifford en de vertraging van de afgeschafte trein". Zijn aanbod om samen met bevriende Belgische tekenaar Willy Vandersteen een absurdistisch, aan de actualiteit gekoppeld stripverhaal te maken met als titel"Pa Knekelteen", werd afgewezen door de Twentsche Courant, omdat "het niet de juiste periode was voor een dergelijk experiment". Bij gebrek aan universiteit (en omwille van de transportbeperkingen die door de bezetter waren opgelegd), stichtte hij er zelf maar eentje, op z'n zolderkamertje. Hij was dus, na een éénmansregiment geweest te zijn, ook éénmansuniversiteit geworden, en daar was hij zowel rector als student Letteren en Wijsbegeerte. Leraren had hij niet nodig, want hij was niet van plan om meer werk van de studie te maken dan hij tot dan toe gedaan had. Bij de bevrijding gaf hij zijn universiteit ten geschenke aan het stadsbestuur[6], en fietste naar Harderwijk.

Harderwijk (1944-1947)[bewerken]

Bij aankomst in Harderwijk bleek Bomans' informatie over de plaatselijke universiteit enigszins gedateerd, maar gesterkt door zijn ervaring met zijn Twentse universiteit, bleek hij ook hier in staat om, in ieder geval op papier, een universiteit op te richten die voldoende geloofwaardig was om zijn ouders ervan te overtuigen om zijn studies financieel te ondersteunen, al kwam het echtpaar Bomans geleidelijk aan minder vlot over de brug, en begonnen ze al eens lastige vragen te stellen. Maar Bomans zette door, en vond ook hier weer het voor zijn schrijven en mijmeren geschikte tochtige en vochtige zolderkamertje, waar hij bovendien een door het Amerikaans leger achtergelaten voorraad sigaretten vond. De vochtigheid van de omgeving dwong hem om zijn rookdebiet op te drijven, want anders zou de voorraad bederven, en de sigaretten verkopen was strafbaar. De inmiddels stilaan "eeuwig" wordende student, die in studentenkringen populair was geworden omwille van zijn geïmproviseerde toespraken, die een voor een breed publiek gesmaakt mengsel van filosofie, literatuur en humor bevatten, werd kort na zijn aankomst door de KRO aangezocht om een wekelijks "cursiefje" voor te dragen, en later ook om in "panels" van diverse quizprogramma's te zetelen, naar het model van de Amerikaanse radio- en televisieprogramma's.

Bomans werd in het naoorlogse Nederland een populair entertainer, maar bleef enigszins gefrustreerd omdat hij noch als schrijver, noch als filosoof echt serieus werd genomen. Gelukkig werd zijn aanbod, om samen met bevriende Nederlandse tekenaar Carol Voges een absurdistisch, aan de actualiteit gekoppeld stripverhaal te maken met als titel "Pa Pinkelman", met open armen ontvangen door een om luchtige kopij verlegen zittende de Volkskrant, omdat "het precies was wat het Nederlandse volk op dat ogenblik nodig had". Het verhaal liep uit tot een heuse reeks, die liep van 1945 tot 1952, en door menige oudere Nederlander nog steeds in de herinnering voortleeft als "het wondermiddel dat Nederland in goed humeur hield". Pa Pinkelman legde de Volkskrant geen windeieren: de oplage bleef gestaag stijgen tot in 1952 Bomans verklaarde dat hij er geen inspiratie meer voor had, en ermee stopte. De oplage van de Volkskrant zakte meteen pijlsnel naar het niveau van 1944, en pogingen om de reeks te laten hernemen door een ander duo (Voges achtte alleen Bomans in staat om zoiets te schrijven, en wilde van geen andere auteur weten) faalden jammerlijk. De krant redde zich van de totale ondergang om zonder onderbreking het verschenen materiaal alsmaar opnieuw te brengen. Toen aan het eind van de jaren '60 de in beeld en woord gebrachte situaties en grappen voor de nieuwe lezers alsmaar onbegrijpelijker werden, zorgde Bomans' overlijden ervoor dat de reeks een cultstatus kreeg, en zodoende tot op heden nog steeds herhaald wordt.

Utrecht (1947-1949)[bewerken]

In 1947 voelde Bomans haarfijn aan dat hij de Harderwijkse universiteit anno medio XXste eeuw niet langer geloofwaardig kon houden, en hij verhuisde naar Utrecht, waar hij zich inschreef als student Letteren en Wijsbegeerte, want van die studierichting kon hij maar niet genoeg krijgen. Waar hij wél genoeg van kreeg, was het gebrek aan erkenning als serieus auteur en als filosoof. Dat verklaart waarschijnlijk ten dele [7] waarom hij in 1948 het Haags Donkozakkenkoor oprichtte, dat in 1994 werd omgedoopt naar "Donkozakkenkoor Nederland". Bomans leidde het ensemble tot december 1971, maar haalde het geplande kerstconcert niet. De repetities hadden altijd plaats op vrijdagavond, en concerten op zaterdagavonden: hij kwam er telkens, per trein, speciaal voor over vanuit welke universiteit of andere bezigheid hem op dat moment ook bezighield. Hij putte voornamelijk uit het repertoire dat hij tijdens zijn legerdienst had leren kennen, maar voegde ook andere, voornamelijk Oost-Europese muziek toe. Tijdens de repetities zag men Bomans niet roken (wat overigens foto's van hem zonder sigaret onherroepelijk dateert en lokaliseert): hij wilde de longen van de zangers niet nodeloos belasten. Bij uitvoeringen haalde hij deze achterstand dan weer in: na elk lied rende hij het podium af, om minsten twee sigaretten tegelijk op te roken. De kwaliteit van de muziek leed er niet onder, dus werd hiertegen ook niet geprotesteerd, behalve door de brandweerman met dienst, die men steeds maar moest beletten om zijn emmertje water in Bomans' gezicht te ledigen. In Utrecht leerde hij het werk van de Engelse schrijver Charles Dickens kennen en waarderen, en vond de figuur én de door de figuur gecreëerde figuren zó inspirerend, dat hij zich nog uitsluitend in de klederdracht uit Dickens' tijd en omgeving ging hullen. Dit strookte niet met de zeer strenge kledingnormen die in Utrecht toen golden, en hij werd verzocht om óf zich behoorlijk te kleden, óf de biezen te pakken. Hij koos voor het laatste, zei zijn tochtig en vochtig zolderkamertje vaarwel, en toog naar Rotterdam, niet zonder eerst nog een tweetal Bill Clifford-episodes aan de uitgeverij te hebben aangeboden: "Bill Clifford en het ei, de kip en het ei" en "Bill Clifford en de diefstal van de gestolen ontvreemding".

Rotterdam (1949-1952)[bewerken]

Rotterdam, waar hij zich inschreef als student Letteren en Wijsbegeerte, en de grootste moeite had om in de uit haar as verrijzende stad een tochtig en vochtig zolderkamertje te vinden. Gelukkig vond hij er één boven het postkantoor, en hij zette zich meteen aan het mijmeren, en aan het schrijven. Hij begon zowaar aan een nieuwe vertaling van het volledige werk van Dickens, en simultaan zette hij diens biografie in de steigers. Daar staat ze nu nog, en ze kan er bezocht worden. De bezoekuren zijn dezelfde als die in Maastricht, maar de entree is wel iets duurder: één euro. De vertaling van Dickens' werk, gekoppeld aan zijn radiowerk, en zijn diverse geestige krantencolumns, liet hem te weinig tijd om een behoorlijk gefundeerde biografie te schrijven. Een paar Bill Clifford-afleveringen aan de reeks toevoegen kostte hem daarentegen weinig moeite: "Bill Clifford en de zaak van het geval Zaak", "Bill Clifford en de verstrooide filosoof zonder hoofd" en "Bill Clifford en de tautologie van het overtollige pleonasme" zagen het licht van Neerlands stationshallen. Ook verscheen een eerste bundeling van zijn radiocursiefjes, onder de titel "Mijmerende buitelingen", waarin men een mooi evenwicht kan ontwaren tussen filosofie, literatuur en humor, al spoorden uitgevers en programmamakers hem aan om er vooral veel van dat laatste in te stoppen, want dat deed boeken verkopen en de luisteraars naar de juiste zender luisteren. Onder die voorwaarden zou er ook kunnen gewag gemaakt worden van een eventuele bundeling van zijn krantencolumns, bijvoorbeeld onder de titel "Buitelende mijmeringen".

Nijmegen (1952 - 1956)[bewerken]

Toen in 1952 het nieuwe Hoofd der Post het verhuren van zolderkamertjes aan studenten niet langer wenselijk vond, trok Bomans naar Nijmegen, om zich nog eens in te schrijven in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Als ervaren zoeker van tochtige en vochtige zolderkamertjes kostte het hem weinig moeite om een onderkomen te vinden: het was vooral de huur die hem zorgen baarde, want zijn ouders weigerden al een paar jaar om mee te gaan in de stijging der levensduurte. Goedkope tochtige en vochtige zolderkamertjes met mijmer- en schrijffaciliteiten droegen dus zijn voorkeur weg. Nijmegen was zijn laatste universiteit, omdat in 1956 beurtelings zijn moeder en zijn vader overleden, en hij zich moest bezig houden met het onderhoud van kasteel Tulpendaal in Hilversum, dat al eeuwen in de familie was, en niet mocht verkocht worden. Omdat zijn ouders buiten dat kasteel weinig of niets bezaten[8], moest hij wel werk gaan zoeken buiten zijn matig verloonde artiestenbezigheden, en werd aangenomen als hoofdredacteur van de Volkskrant, een functie die hij behield tot een half jaar na zijn dood. Hij bleef wel verder werken aan het vertalen van het volledige werk van Dickens: de "Pickwick Papers", waarmee hij de Homerische taak aangevat had, schoten al aardig op, want hij was al bijna over de helft. Het verlaten van Nijmegen zou ook samenvallen met het stoppen van de Pa Pinkelman-serie, maar hij bleef trouw episodes afleveren van Bill Clifford, zoals "Bill Clifford en de origami die van gevouwen papier was", en "Bill Clifford en het dak dat bovenop een huis stond". Zijn populariteit als komiek steeg duizelingwekkend, maar als serieus auteur en filosoof werd hij totaal genegeerd.

'k Zou het meteen weer overdoen!
~ De nooit afgestudeerde Godfried Bomans over zijn studeertijd (3).

Late jeugd (1956-1971): to the end[bewerken]

Godfried Bomans dirigeert het Haags Donkozakkenkoor in 1967.

Bomans mocht dan wel, uit respect voor zijn ouders, kasteel Tulpendaal onderhouden, het echt bewonen deed hij nauwelijks: hij gebruikte voor zichzelf alleen een tochtig en vochtig zolderkamertje, en de rest van de zolder gebruikte hij voor het stockeren van boeken en sigaretten. Zijn eigen boekproductie kreeg vaart, want behalve een reeks portretten van fictieve Nederlanders ("Kopstukken", dertien delen plus Aanhangsel), een sprookjesboek, en jaarlijks een lijvig voorwoord bij het telefoonboek, naderde de voltooiing van het eerste boek uit het volledige werk van Dickens. Zijn ultieme gooi naar filosofische erkenning, "Analyse van de filosofie van het Pleistoceen tot heden", bleef onafgewerkt omdat de research naar het filosofische denken ten tijde van het Vroeg Pleistoceen bitter bleek tegen te vallen. In 1970 zet Bomans zich aan het schrijven van zijn "Memoires", een initiatief dat achteraf door zijn omgeving als een voorafschaduwing van zijn toch onverwacht werd gezien. Ze zijn dan ook even onvolledig als onbetrouwbaar als onuitgegeven: het manuscript behandelt enkel de periode 1925-1941, en sluit aan op "Erik of het kleine insectenboek", dat over de periode daarvóór gaat, maar door critici als té summier (het boekje telt in de pocket-editie zo'n luttele 170 bladzijden) wordt beschouwd om als een volwaardige autobiografie te worden aanvaard.

Op 22 december 1971 blies Bomans zijn kaars uit op kasteel Tulpendaal, de nederige stulp in Haarlem die hij van zijn ouders had geërfd. Door de door het vele roken en het op tochtige en vochtige dakkamertjes schrijven en filosoferen opgedane longziekte, kostte dat uitblazen hem veel moeite: zijn doodsstrijd was immers al een week eerder begonnen, toen hij voor het eerst een poging ondernam om de kaars uit te blazen. Na de uiteindelijk geslaagde, en dus, logischerwijze, laatste poging, werd hij bijgezet in de familiecrypte van het kasteel.

"Bill Clifford en de ongestelde vraag zonder antwoord" zou de laatste Bill Clifford-aflevering zijn die het stadium van uitgave haalde: "Bill Clifford en de dood van het fatale overlijden", de episode waaraan Bomans bezig was op het moment van zijn overlijden, is onvoltooid gebleven, het manuscript breekt af net vóór de ontknoping. In Bomans' nagelaten papieren was geen spoor van een aanwijzing te bespeuren, wat de roman tot de Sagrada Familia van de Nederlandse literatuur maakt. In december 1981 werd er voor het eerst een schrijfwedstrijd georganiseerd, waarbij de deelnemers een plausibel einde moesten bedenken voor dit boek, en het succes was zó groot (1182 deelnemers), dat het een jaarlijks terugkerend evenement is geworden, met een steeds stijgend aantal deelnemers. Op 2 maart van het jaar volgend op de wedstrijd wordt telkens een nieuwe druk gepresenteerd, met de winnende tekst als einde van de episode.

Veel te vroeg, dat lijkt nérgens naar!
~ De pas overleden Godfried Bomans over zijn overlijden.

Eeuwige jeugd (1971-heden): toch erkend[bewerken]

BomansHeren.GIF

Ter gelegenheid van de eerste herdenking van Bomans' overlijden, op 22 december 1972, werd op waardige wijze van start gegaan met het erkennen van de grootheid van deze Nederlander, door plechtig aan te kondigen dat

  • er een nieuwe culturele categorie in het leven geroepen werd, die der "filosijvers" of "personen die als filosoof en als schrijver simultaan op beide terreinen exact dezelfde artistieke hoogte bereiken, en dat vanaf het moment van hun eerste publicatie en/of publieke optreden.";
  • op het ogenblik van de invoegegang[9] Godfried Erik Adalbert Bomans als grootste der filosijvers zou bestempeld worden.

Menige Nederlandstalige[10] heeft sindsdien een gooi naar Bomans' positie gedaan, met als enig resultaat dat de plaatsen vanaf nummer 2 af en toe door elkaar geschud worden.

Ach, had ik dáár nou maar bij kunnen zijn!
~ De pas erkende Godfried Bomans over zijn erkenning.

Bomans en Sinterklaas[bewerken]

Begin december 1938 begon Bomans zich, door middel van jaarlijks terugkerend uitvoerig artikelgeschrijf in de week voorafgaande aan 6 december, te ontpoppen tot Nederlands eerste (en sinds zijn overlijden helaas enige gebleken) Sinterklaasexpert. Men heeft hem echter heel die tijd ook verweten dat hij zelf, eenmaal Sinterklaas in het land, in geen velden of wegen te bespeuren was, wat in december 1968 leidde tot een algemeen aanvaarde en door de KRO uitgezonden stelling dat Bomans gewoon zélf Sinterklaas in burger was, en dat de Sint dus niet in Spanje woonde, maar in Nederland! De consternatie die deze stelling veroorzaakte had twee bijzonder belangrijke uitwerkingen:

  • Bomans' gezondheid, al voldoende ondermijnd door het mijmerend en schrijvend verblijf op tochtige en vochtige zolderkamertjes, en het roken van kettingen kettingroken, leed er merkbaar onder;
  • men begon ook Zwarte Piet in een ander daglicht te zien, en vragen begonnen te rijzen over het politiek correct zijn van deze zwarte knecht van een blanke man.

Het overlijden van Bomans maakte een einde aan de controversie, maar de Pietenkwestie was nog lang niet uit de wereld.

Pluimpatat.JPG
Auteur of geen auteur, dát is de kwestie!

Bomans · Boon · Brusselmans · Caesar · Christie · Claus · Erasmus · Finkers · Foucault · Van Gaal
Galileo · Goethe · Hitler · Ibsen · Kafka · Luther King · King · Liefnius · Leviticus · Van Loon · Mulisch
Von Münchhausen · Van Ostaijen · Drs. P · Polo · Reve · Shakespeare · Stevin · Tamstra · Wilde · Wolkers


Potatohead aqua.png
Aan de schandpaal genageld!
Vastgenagelde versie:
2 maart 2015
Dit artikel is een verschrikking! Daarom is het vastgenageld aan de schandpaal zodat iedereen er rotte groenten tegenaan kan gooien.


Notenbalk[bewerken]

Bouncywikilogo.gif
Voor de uilskuikens die de afgelopen eeuwen onder een rots hebben gelegen zonder krant of Twitter, heeft Wikipedia ook een artikel over: Godfried Bomans.
  1. Het huis draagt nu een bronzen herdenkingsplakkaat, en het zolderkamertje, dat sinds Bomans' vertrek onaangeroerd is gebleven, is nog steeds te bezichtigen, op zon- en feestdagen, van tien uur 's ochtends tot zes uur 's avonds, tegen de billijke vergoeding van vijftig eurocent.
  2. Zijn drie oudere broers waren al in dienst geweest, dus hoefde hij in principe niet te gaan.
  3. Vrij vroeg, omstreeks half 1936, rezen de eerste vermoedens dat er een meisje en een aankomend duel met ongelijke kansen in het spel waren.
  4. In 1975 vertelde een oud-Donkozak aan de kwaliteitskrant Pravda, dat Bomans een hoop sigaretten had meegekregen van zijn medekozakken, bij wijze van afscheidsgeschenk.
  5. Deze in 1970 begonnen "Memoires" worden overigens door literatuurcritici als totaal onbetrouwbaar en "fantaisistisch" beschouwd, en dienen dus tot zijn filosofisch getinte fictieproductie gerekend te worden.
  6. Pas in 1961 besliste het stadsbestuur van Enschede om het pand, waarvan het zolderkamertje deel uitmaakte, in te richten als hoofdzetel van een heuse universiteit, die passend door Godfried Bomans werd ingehuldigd.
  7. Bomans zelf heeft zich nooit in die zin uitgelaten, maar zijn directe omgeving zag het wel zo.
  8. Het onderhouden van een eeuwige student was geen sinecure.
  9. Zelfstandig naamwoord afgeleid van de uitdrukking "in voege gaan", maar dat hád u al begrepen, anders zou u geen tekst over Godfried Bomans zitten, staan of hangen lezen.
  10. Het vak van filosijver werd in 1995, bij het ingaan van de nieuwe spelling, ook in Vlaanderen erkend.